Het begon als een grap. Of nou ja, nieuwsgierigheid.
Ik wilde gewoon weten hoe het zou staan. Fillers. In m’n lippen.
Gewoon één milliliter Maili, die op dat moment in de aanbieding was voor 195 euro. (En als je normaal bijna 300 betaalt, dan bén je dus blij. Dan móét je blij zijn.)
Ik dacht: “Wat kan er gebeuren?”
Nou, dat je eruitziet alsof je gestoken bent door een bij met een kort lontje. Maar ook: dat je jezelf aankijkt in de spiegelen denkt… huh. Oké. Wacht. Dit is eigenlijk best mooi.
En dan begint het.

Want het bleef niet bij “even proberen”. De tweede keer was er sneller dan gepland.
En nu, terwijl ik weet dat het er nog in zit, denk ik alweer dat het verdwenen is. Alsof je hersenen na één ronde filler meteen de ‘meer is beter’-modus aanzetten. Of je lippen op een dag wakker worden en besluiten: we willen meer ruimte innemen in dit gezicht.
Soms voel ik me belachelijk. Dan denk ik: “Wat ben je aan het doen?”
Maar dan zie ik iemand met die post-filler-glow, en ik weet: ja, het gebeurt gewoon. Je raakt erin. Je raakt eraan gewend. En daarna: verslaafd. Lichtelijk.
Mijn moeder zag het en noemde me vanaf dat moment Katrien. Ze heeft de rest van de dag niet meer tegen me gepraat. Alleen af en toe hoofdschuddend gekeken, met die blik die zegt: ik heb je opgevoed, en dit is wat je doet met je gezicht?
Ik weet niet waar dit eindigt. Misschien bij 1,5 ml. Misschien bij lippen die je al ziet aankomen voordat ik de hoek om kom.
Maar voor nu? Ik ben blij.










